🎧 Beluister de podcast
Duur: 7 minuten
Intro
Welkom bij de LawBot Podcast! Deze week bespreken we drie boeiende civiele zaken van de gerechtshoven. We beginnen met een huurgeschil over een sociale woning na het overlijden van de huurder, duiken vervolgens in een familieruzie rond een speelgoedbedrijf bij de Ondernemingskamer, en sluiten af met een zaak over bewind en mentorschap bij iemand met een tbs-maatregel. Drie heel verschillende zaken, maar allemaal met een duidelijke les.
Zaak 1: Mag je blijven wonen als de huurder overlijdt?
ECLI: ECLI:NL:GHAMS:2026:506
Instantie: Gerechtshof Amsterdam | Datum: 19 februari 2026
Rechtsgebied: Civiel recht – Huurrecht woonruimte
Deze zaak draait om een sociale huurwoning in Haarlem. Woningcorporatie Pré Wonen wilde een bewoner uit zijn woning zetten nadat de officiële huurder was overleden. Maar het Gerechtshof Amsterdam stak daar een stokje voor. De kernvraag: mag je als medebewoner in een sociale huurwoning blijven wonen als de huurder overlijdt?
De bewoner deelde de sociale huurwoning met de huurder. Toen die huurder overleed, wilde de bewoner de huur voortzetten op grond van artikel 7:268 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Die wetsbepaling biedt bescherming aan iemand die in de woning zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding had. Woningcorporatie Pré Wonen zag dat anders en vorderde ontruiming. De kantonrechter wees de ontruiming toe én verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad – wat betekent dat de bewoner direct de woning uit moest, zelfs als hij in hoger beroep ging.
De bewoner ging naar de voorzieningenrechter, die de ontruiming schorste. Pré Wonen ging vervolgens in spoedappel bij het hof. Het juridische probleem zat hem in die uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De wet zegt heel duidelijk dat de bewoner de huur mag voortzetten zolang niet onherroepelijk op zijn vordering tot huurvoortzetting is beslist. Door het ontruimingsvonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, ging de kantonrechter volledig voorbij aan deze wettelijke bescherming.
Het hof oordeelde klip en klaar: de uitvoerbaarverklaring bij voorraad berust op een kennelijke juridische misslag. Het hof zag alleen ruimte om van deze bescherming af te wijken als de bewoner misbruik van recht had gemaakt, bijvoorbeeld door zich puur om de ontruiming uit te stellen te beroepen op de wet. Dat was hier niet vastgesteld. De schorsing van de ontruiming bleef in stand en Pré Wonen werd veroordeeld in de proceskosten.
Zaak 2: Familieruzie in het speelgoed – Ondernemingskamer grijpt in
ECLI: ECLI:NL:GHAMS:2026:469
Instantie: Gerechtshof Amsterdam (Ondernemingskamer) | Datum: 19 februari 2026
Rechtsgebied: Civiel recht – Ondernemingsrecht
Een klassiek verhaal over een familieruzie die uitmondt in een juridische strijd bij de Ondernemingskamer. Het gaat om een door ouders opgericht speelgoedbedrijf dat nu wordt verscheurd door een conflict tussen broer en zus. De broer houdt via zijn holding 60% van de aandelen en is enig bestuurder. De zus houdt 40% maar heeft sinds 2017 geen bestuursfunctie meer. De verhoudingen zijn al jaren slecht.
De cijfers spreken boekdelen. De broer verhoogde zijn eigen salaris als bestuurder van €215.000 in 2017 naar ruim €400.000 door zogenaamd variabele beloningscomponenten in te voeren. Tegelijkertijd keerde hij over zeven jaar slechts 15% van de totale winst van meer dan €10 miljoen als dividend uit, terwijl de solvabiliteit van het bedrijf maar liefst 87% bedroeg. De zus kreeg als minderheidsaandeelhouder nauwelijks iets, terwijl de broer zichzelf via zijn salaris rijkelijk beloonde.
Eerdere rechtszaken bij de rechtbank en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gaven de zus al gelijk: dividendbesluiten werden vernietigd en de bonusregeling werd als strijdig met de redelijkheid en billijkheid aangemerkt. Maar de broer trok zich daar weinig van aan. Na vernietiging van zijn bonusregeling verhoogde hij simpelweg zijn vaste salaris naar €323.500, zonder gedegen onderbouwing. Een extern bureau concludeerde dat dit een “zeer hoge, zo niet te ruime beloning” was voor een familiebedrijf van deze omvang.
De Ondernemingskamer oordeelde hard. De combinatie van een zeer aanzienlijke verhoging van de eigen beloning zonder goede onderbouwing, en een jarenlang patroon van onnodig lage uitkeringen aan aandeelhouders, deed vermoeden dat de broer de zus inderdaad probeerde “uit te roken”. De OK beval een onderzoek naar het beleid, benoemde een commissaris om de informatievoorziening te stroomlijnen en een dividendbeleid voor te stellen, en liet 201 aandelen van de broer overdragen aan een onafhankelijke beheerder. Daardoor kan de broer zijn wil niet langer onbelemmerd opleggen.
Zaak 3: Bewind blijft, mentorschap niet – de nuance van beschermingsmaatregelen
ECLI: ECLI:NL:GHARL:2026:952
Instantie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | Datum: 19 februari 2026
Rechtsgebied: Civiel recht – Personen- en familierecht
Onze laatste zaak gaat over een jonge man, geboren in 1996, die onder bewind en mentorschap staat terwijl hij verblijft in een forensische kliniek op grond van een tbs-maatregel. Hij vroeg het hof om beide beschermingsmaatregelen op te heffen. Het resultaat was genuanceerd: het ene werd opgeheven, het andere bleef in stand.
De man werd in 2019 onder bewind gesteld vanwege verkwisting of het hebben van problematische schulden. Tegelijkertijd werd een mentorschap ingesteld, waarbij zijn vader als mentor werd benoemd. Bij de kantonrechter had hij verzocht om opheffing van zowel het bewind als het mentorschap. De kantonrechter wees beide verzoeken af, maar ontsloeg wel de vader als mentor en benoemde een professionele mentor in zijn plaats.
In hoger beroep was het hof over het bewind duidelijk: dat blijft in stand. Hoewel er geen sprake meer is van problematische schulden, is er nog steeds sprake van verkwisting. Uit een psychiatrisch rapport bleek weliswaar dat zijn psychische toestand fors is verbeterd, maar dat was onvoldoende om te concluderen dat hij weer zelfstandig zijn financiële belangen kan behartigen. De psychiater had ook geadviseerd de tbs-maatregel nog een jaar te verlengen.
Maar over het mentorschap oordeelde het hof anders. De man zit in een tbs-kliniek waar zijn zorg volledig wordt geregeld. Er hoeven vrijwel geen beslissingen genomen te worden over zijn verzorging en behandeling. Zelfs de mentor gaf op de zitting toe dat hij feitelijk geen positie inneemt of hoeft in te nemen. Het hof vond het mentorschap daarom niet zinvol en hief het op per 19 februari 2026. Een mooie illustratie van het principe dat beschermingsmaatregelen alleen gerechtvaardigd zijn zolang ze daadwerkelijk nodig zijn.
Afsluiting
Dat was het voor deze week. We zagen hoe de wet huurders beschermt na overlijden, hoe de Ondernemingskamer ingrijpt bij het uitroken van een minderheidsaandeelhouder, en hoe een mentorschap kan worden opgeheven als het niet meer zinvol is. Bedankt voor het luisteren en tot volgende week bij de LawBot Podcast!