🎧 Beluister de podcast
Duur: 9 minuten
Intro
Welkom bij de LawBot Podcast, de wekelijkse podcast waarin we recente civiele rechtspraak van Nederlandse gerechtshoven bespreken. Vandaag behandelen we drie interessante uitspraken: een huurzaak over oneerlijke huurverhogingen door woningcorporatie Eigen Haard, een Dexia-zaak waarin de bank te laat in hoger beroep ging, en een familieruzie tussen drie broers over de verdeling van een boerderij en nalatenschap.
Zaak 1: Oneerlijke huurverhoging door woningcorporatie Eigen Haard
ECLI: ECLI:NL:GHAMS:2026:964
Instantie: Gerechtshof Amsterdam | Datum: 7 april 2026
Rechtsgebied: Civiel recht – Huurrecht
Woningstichting Eigen Haard, een grote woningcorporatie in Amsterdam, had een geschil met twee huurders over een opgelopen huurachterstand. Wat deze zaak bijzonder maakt, is dat het hof moest beoordelen of de manier waarop Eigen Haard de huur jaarlijks verhoogde, wel eerlijk was.
In de huurovereenkomst stonden twee soorten huurverhogingen. Ten eerste een CPI-indexering: een jaarlijkse verhoging op basis van de consumentenprijsindex, ofwel de inflatie. Dat is de verhoging die de meeste huurders kennen. Maar daarnaast had Eigen Haard ook een opslagbeding opgenomen. Dat beding maakte het mogelijk om de huur bovenop die inflatieverhoging nog eens met maximaal vijf procent per jaar extra te verhogen. Samen konden deze twee bedingen dus tot forse jaarlijkse huurstijgingen leiden.
Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in een eerder tussenarrest dat de gewone CPI-indexering wél door de beugel kon. Dat is een transparant en voorspelbaar mechanisme dat gekoppeld is aan de algemene prijsontwikkeling. Het opslagbeding was echter een ander verhaal. Het hof vond dit beding oneerlijk in de zin van de Europese Richtlijn oneerlijke bedingen. De reden: de verhuurder kon naar eigen inzicht de huur extra verhogen zonder dat de huurder daar enige invloed op had.
Door de vernietiging van het opslagbeding vervielen alle extra huurverhogingen die daarop gebaseerd waren. Eigen Haard mocht alleen nog de reguliere CPI-indexering doorberekenen. Het hof gaf Eigen Haard de kans om de huurachterstand opnieuw te berekenen zonder die extra opslagen, maar Eigen Haard onderbouwde haar berekening onvoldoende. Het hof bekrachtigde daarom het eerdere vonnis van de kantonrechter.
Wel kreeg Eigen Haard gedeeltelijk gelijk over de buitengerechtelijke incassokosten. Het incassokostenbeding in de algemene voorwaarden was volgens het hof niet oneerlijk, omdat het simpelweg verwees naar de wettelijke regeling. De huurders moesten daarom €382,63 aan incassokosten betalen. Deze uitspraak is belangrijk voor alle huurders in Nederland, want het laat zien dat rechters kritisch kijken naar huurverhogingsbedingen die verder gaan dan de gewone inflatiecorrectie.
Zaak 2: Dexia te laat met hoger beroep – de gevolgen van een gemiste deadline
ECLI: ECLI:NL:GHARL:2026:1946
Instantie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | Datum: 31 maart 2026
Rechtsgebied: Civiel recht – Effectenlease / Procesrecht
De effectenlease-affaire rond Dexia sleept al ruim twintig jaar. Duizenden Nederlanders sloten in de jaren negentig beleggingsproducten af bij wat toen nog Legio Lease heette. Veel van hen bleven met schulden achter toen de aandelenkoersen kelderden. In deze zaak bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ging het niet over de inhoud van het geschil, maar over een procesrechtelijke blunder van Dexia zelf.
De feiten zijn helder. De kantonrechter in Almelo had op 11 maart 2025 vonnis gewezen. Dexia had vervolgens drie maanden de tijd om in hoger beroep te gaan, dus tot 11 juni 2025. Maar Dexia liet de appeldagvaarding pas op 20 oktober 2025 betekenen – meer dan vier maanden te laat.
Dexia probeerde zich te beroepen op een zogenaamde apparaatsfout: een uitzondering die de Hoge Raad heeft erkend voor gevallen waarin de rechtbank zelf een fout maakt, waardoor een partij niet op tijd wist dat er vonnis was gewezen. Maar in dit geval ging die vlieger niet op. De afnemer toonde aan dat de rechtbank twee brieven had gestuurd over het vonnis, inclusief de exacte uitspraakdatum. Die brieven waren ook naar de gemachtigde van Dexia gestuurd, en Dexia sprak dat niet tegen.
Het hof gaf Dexia nog de kans om haar standpunt over de apparaatsfout nader toe te lichten, maar Dexia maakte van die gelegenheid geen gebruik. Het hof concludeerde dat Dexia ruim voor het verstrijken van de appeltermijn op de hoogte was van het vonnis. Er was dus geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.
Het hof verklaarde Dexia niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Dat betekent dat het vonnis van de kantonrechter definitief is geworden. Dexia werd ook veroordeeld in de proceskosten. Deze zaak illustreert een ijzeren regel in het procesrecht: aan termijnen voor rechtsmiddelen wordt strikt de hand gehouden. Zelfs een grote partij als Dexia kan niet om een gemiste deadline heen.
Zaak 3: Drie broers en een boerderij – jarenlange strijd om een familiebedrijf
ECLI: ECLI:NL:GHARL:2026:2128
Instantie: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | Datum: 7 april 2026
Rechtsgebied: Civiel recht – Erfrecht / Ondernemingsrecht
Tot slot een zaak die laat zien hoe ingewikkeld het kan worden wanneer familieverhoudingen en zakelijke belangen door elkaar lopen. Drie broers in het noorden van het land runden al sinds de jaren zeventig samen een landbouwbedrijf in de vorm van een maatschap. Het bedrijf omvatte een melkveehouderij, akkerbouw en een koelhuis. Vader had het bedrijf destijds met twee van de broers gestart, en de derde broer sloot zich in 1976 aan.
Toen vader in 2002 overleed, ontstonden de eerste scheuren. De broers zetten het bedrijf voort, maar over de afwikkeling van vaders nalatenschap bereikten ze geen overeenstemming. Moeder overleed in 2017 en liet in haar testament alleen twee van de drie broers als erfgenamen achter. De derde broer had wel recht op een legitieme portie – het wettelijke minimumdeel van de erfenis.
Nadat ook de maatschap en de vof in 2016/2017 waren opgezegd, stond de familie voor de enorme opgave om alles te verdelen: twee nalatenschappen, een maatschap en een vof, met daarin onder meer bijna honderd hectare landbouwgrond, een boerderij, een koelhuis en diverse bedrijfsmiddelen. In 2018 begon de procedure bij de rechtbank, die in 2022 een verdeling vaststelde. Alle drie de broers gingen in hoger beroep.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde grotendeels de beslissing van de rechtbank. Eén broer, die de boerderij toegedeeld had gekregen, wilde meer grond – namelijk 25 hectare in plaats van 18. Het hof wees dat af, omdat die broer al meer dan tien jaar geen boerderij meer exploiteerde en de grond aan derden had verpacht. Bovendien had hij recht op slechts twee twaalfde deel van het totaal.
Op één belangrijk punt kreeg die broer wél gelijk. Bij de berekening van wat hij moest betalen wegens overbedeling bij de vof, had de rechtbank ten onrechte de boekwaarde van de koelloods meegeteld. Dat leidde tot dubbeltelling. Het hof corrigeerde dit en verlaagde het te betalen bedrag met €23.200 – van €65.750 naar €42.550.
Opvallend is dat het hof de vordering tot vaststelling van de legitieme portie opnieuw afwees, omdat de broer ook in hoger beroep verzuimde concreet te onderbouwen hoe groot die portie zou moeten zijn. Het hof merkte wel nadrukkelijk op dat dit niet betekent dat hij dat recht verliest – hij kan daarvoor een nieuwe procedure starten. Na acht jaar procederen is er nog steeds geen definitief einde in zicht.
Afsluiting
Drie heel verschillende zaken, maar met één rode draad: het recht is er om conflicten op te lossen, maar het helpt als je je zaken goed op orde hebt. Bedankt voor het luisteren en tot volgende week bij de LawBot Podcast.