🎧 Beluister de podcast
Duur: 7 minuten
Intro
Welkom bij de LawBot Podcast, de wekelijkse podcast waarin we recente civiele rechtspraak bespreken in begrijpelijk Nederlands. Vandaag behandelen we drie zaken die onlangs door de Hoge Raad zijn bevestigd: een geschil over een niet-ondertekende samenlevingsovereenkomst, een internationale strijd rond een aandelentransactie van 258 miljoen euro, en een zaak over de aansprakelijkheid van accountants voor een misleidend rapport.
Zaak 1: De niet-ondertekende overeenkomst die toch geldig bleek
ECLI: ECLI:NL:HR:2026:243 (in cassatie op ECLI:NL:GHARL:2024:6991)
Instantie: Hoge Raad / Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden | Datum: 13 februari 2026
Rechtsgebied: Civiel recht – Personen- en familierecht
Stel je voor: je woont jarenlang samen met je partner, jullie laten bij de notaris een overeenkomst opstellen over de financiële afwikkeling van jullie relatie, maar niemand zet er een handtekening onder. Is die overeenkomst dan geldig? Over die vraag boog het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden zich in deze zaak.
Een man en een vrouw hadden sinds 1998 een relatie en woonden samen in de woning van de man. Ze kregen twee kinderen. In 2005 sloten ze een notariële samenlevingsovereenkomst, waarin onder meer was vastgelegd dat de vrouw bij het einde van de samenwoning recht had op tien procent van de waarde van de woning, als compensatie voor haar financiële inbreng van €25.000 en haar arbeid bij de verbouwing.
In 2018, toen de relatie eindigde, gingen partijen naar de notaris om de financiële afwikkeling vast te leggen. De notaris stelde een conceptovereenkomst op. Daarin stond dat de man een bedrag van €310.000 aan de vrouw zou betalen, in maandelijkse termijnen van €1.500. Maar het concept werd nooit ondertekend.
De juridische kernvraag was: is er desondanks een bindende overeenkomst tot stand gekomen? De vrouw betoogde van niet en vorderde een hoger bedrag, gebaseerd op een latere, hogere taxatie van de woning.
Het hof oordeelde dat de overeenkomst wél geldig was, ondanks het ontbreken van handtekeningen. Cruciaal was het gedrag van beide partijen ná het opstellen van het concept. De man begon de afgesproken maandelijkse betalingen van €1.500. De vrouw vertrok uit de woning en voerde een gescheiden financiële huishouding. En, belangrijk: de vrouw protesteerde niet tegen het concept, terwijl de man dat protest redelijkerwijs mocht verwachten als zij het niet eens was met de inhoud. Het hof paste hier het vertrouwensbeginsel toe: uit het uitblijven van protest en het vervolgens uitvoering geven aan de afspraken mocht de man afleiden dat de overeenkomst tot stand was gekomen. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand.
Zaak 2: Miljoenenstrijd na overname van een verpakkingsimperium
ECLI: ECLI:NL:HR:2026:228 (in cassatie op ECLI:NL:GHAMS:2024:2936)
Instantie: Hoge Raad / Gerechtshof Amsterdam | Datum: 13 februari 2026
Rechtsgebied: Civiel recht – Verbintenissenrecht
Deze zaak leest als een juridische thriller uit de wereld van private equity. Het Oostenrijkse investeringsbedrijf B&C kocht in 2021 een meerderheidsbelang van 80% in de Schur Flexibles groep – een grote Europese verpakkingsproducent – van het Amerikaanse private equity fonds Lindsay Goldberg. De koopprijs: €258,4 miljoen.
Na de overname ontdekte B&C naar eigen zeggen dat de boekhouding van Schur was gemanipuleerd. De EBITDA – de winst voor belasting en afschrijvingen, die als basis diende voor de berekening van de koopprijs – zou kunstmatig zijn opgeblazen. B&C startte een arbitrageprocedure in Duitsland en legde in meerdere landen beslag op het vermogen van de verkopers.
In Nederland vroeg B&C in kort geding een verbod op dividenduitkeringen en aflossingen op leningen door de verkoper, om te voorkomen dat het vermogen zou wegsijpelen voordat de arbitrage was afgerond. Dit is het leerstuk van de pauliana: het tegengaan van handelingen die schuldeisers benadelen.
Het Gerechtshof Amsterdam wees alle vorderingen af. Ten eerste oordeelde het hof dat de informatieplicht van artikel 475g Rv, waar B&C zich op beriep, alleen betrekking heeft op natuurlijke personen en hun beslagvrije voet, niet op rechtspersonen. Ten tweede was onvoldoende aannemelijk dat de verkopers daadwerkelijk paulianeus of onrechtmatig handelden. B&C had niet concreet onderbouwd welke specifieke handelingen verboden moesten worden. Bovendien had B&C een uitgebreide verzekering afgesloten bij de overname, voor een bedrag van €290 miljoen, wat de noodzaak voor conservatoire maatregelen ondermijnde. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel. De les: ook bij zeer grote bedragen en sterke vermoedens van fraude moet een partij concreet onderbouwen waarom conservatoire maatregelen noodzakelijk zijn.
Zaak 3: De accountant, het rapport en de dure gevolgen
ECLI: ECLI:NL:HR:2026:232 (in cassatie op ECLI:NL:GHDHA:2024:2297)
Instantie: Hoge Raad / Gerechtshof Den Haag | Datum: 13 februari 2026
Rechtsgebied: Civiel recht – Aansprakelijkheidsrecht
Wat gebeurt er als een accountant een rapport schrijft dat vervolgens wordt gebruikt op een manier die hij niet had bedoeld, met grote financiële gevolgen voor derden? Daarover ging deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag.
Digital Exposure Systems (DES) was een bedrijf dat LED-banners verhuurde aan voetbalclubs zoals Willem II en Vitesse. In 2009 nam SportLED – opgericht door een van de bestuurders van DES – belangrijke activa over van DES voor slechts €2.659,09. Enkele jaren later ging DES failliet.
De curator in het faillissement gaf accountantskantoor Alsberg de opdracht om de administratie van DES te onderzoeken. Het rapport vermeldde dat de “contractwaarde” van de huurcontracten met Willem II en Vitesse ruim €800.000 bedroeg. Dit rapport werd vervolgens gebruikt in een rechtszaak tegen de bestuurders, die werden veroordeeld tot schadevergoeding gebaseerd op dat bedrag.
Het probleem was echter dat “contractwaarde” niet hetzelfde is als marktwaarde. De accountant had een berekening gemaakt van de omzet die de contracten nog zouden genereren, verminderd met kosten, maar had geen waardering gemaakt van wat die contracten op de vrije markt waard waren.
Het hof oordeelde dat de accountant onrechtmatig had gehandeld. Door het woord “contractwaarde” te gebruiken wekte hij de onjuiste indruk dat het om een waardebepaling ging. Bovendien had hij, toen hij zag dat zijn rapport in de rechtszaak werd gebruikt als grondslag voor de schadeclaim, moeten ingrijpen en duidelijk moeten maken dat zijn rapport niet voor dat doel geschikt was. De accountant werd veroordeeld tot een schadevergoeding van bijna €300.000 aan juridische kosten die de bestuurders hadden moeten maken. De Hoge Raad liet het arrest in stand.
Afsluiting
Dat was het voor deze aflevering van de LawBot Podcast. We bespraken drie zaken die elk op hun eigen manier laten zien hoe het recht werkt in de praktijk: van een huiselijke situatie met een niet-ondertekende overeenkomst, via een internationale miljoenenstrijd, tot de grenzen van de verantwoordelijkheid van een accountant. Bedankt voor het luisteren en tot volgende week!